Hofuitspraak laat zien dat goede vastlegging in een VOF-overeenkomst van groot belang is

In een VOF of maatschappelijke samenwerking bij agrarische ondernemers gaat het vaak om grote financiële belangen. Daarbij leg je de afspraken zo goed mogelijk vast in een akte van maatschap of VOF-akte.

Hofuitspraak laat zien dat goede vastlegging in een VOF-overeenkomst van groot belang is

Net als een testament zou het goed zijn als je de maatschapsakte of VOF-akte na zoveel jaren weer een keer goed tegen het licht houdt.

Dat dit van belang is, blijkt ook uit een uitspraak van april 2026 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Bij melkveebedrijven die al langer in een VOF of maatschap werken, kan het belangrijk zijn om de bepalingen rondom wie welk (stakingswinst)aandeel in fosfaatrechten heeft, aanvullend vast te leggen. Dit geldt voor het geval dat dit nog niet specifiek voor fosfaatrechten is gedaan. Zijn de fosfaatrechtenwaarde wel of niet gezamenlijk? En zo ja, in welk percentage?

Een uitspraak van april 2026 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden laat zien hoe groot het belang is van duidelijke vastlegging van stille reserves en toekomstige vermogensrechten in samenwerkingsverbanden en huwelijkse voorwaarden.

Een man en vrouw waren met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Begin 2018 werden fosfaatrechten aan het bedrijf toegekend. Later werd het melkveebedrijf verkocht en de maatschap beëindigd. Enkele jaren later werd het huwelijk ontbonden. Er ontstond discussie over de verdeling van de opbrengst van de verkochte fosfaatrechten.

Omdat het niet duidelijk in de maatschapsakte was vastgelegd, oordeelde het Hof dat de waarde 50% - 50% verdeeld moest worden. Dit op basis van de stelling dat op 1 januari 2016 nog geen concrete waarde bestond en dat de latere waardestijging gezamenlijk moest worden gedeeld.

Centraal stond de uitleg van de maatschapsovereenkomst. Daarbij gaat het niet alleen om de letterlijke tekst van een overeenkomst, maar vooral om wat partijen over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het hof benadrukte dat de man als eiser moest bewijzen dat partijen daadwerkelijk hadden bedoeld dat alle toekomstige waarde van de fosfaatrechten exclusief aan hem zou toekomen. Dat bewijs leverde hij onvoldoende.