Wanneer moet een werkgever een opleiding kosteloos aanbieden en wanneer is een studiekostenbeding rechtsgeldig?

Wanneer moet je als werkgever een door werknemer te volgen opleiding/cursus kosteloos aanbieden? En wanneer kan je als werkgever nog een rechtsgeldig studiekostenbeding met een werknemer overeenkomen?

Studiekostenbedingen die betrekking hebben op scholing die werkgever verplicht moet aanbieden op grond van wet, cao, of een regeling zijn sinds 1 augustus 2022 niet meer toegestaan. Dit betekent dat de werkgever de kosten van deze verplichte scholing niet meer op de werknemer mag verhalen, ook niet als het beding vóór deze datum is overeengekomen. Verplichte scholing moet door de werkgever kosteloos worden aangeboden en de tijd die de werknemer aan deze scholing besteedt, wordt als arbeidstijd beschouwd.

Wanneer moet een werkgever een opleiding kosteloos aanbieden en wanneer is een studiekostenbeding rechtsgeldig?

De verplichting geldt voor alle scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie waarvoor de werknemer is aangenomen, maar ook voor scholing die noodzakelijk is voor herplaatsing binnen de organisatie.

Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Limburg geoordeeld dat het begrip “noodzakelijke scholing” ruim moet worden uitgelegd.  

Een werknemer treedt op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij een huisartsenpraktijk als doktersassistente in opleiding in dienst. Werknemer heeft met werkgever afgesproken dat werkgever de kosten voor de opleiding betaalt, maar dat werknemer die in een aantal situaties moet terugbetalen. De arbeidsovereenkomst loopt af en wordt niet verlengd, onder andere omdat werknemer de opleiding heeft stopgezet. Werkgever verrekent de studiekosten op de eindafrekening. Werknemer vordert vervolgens terugbetaling van de studiekosten alsmede het loon voor 36 uur voorbereiding op de door haar gevolgde lessen.

De kantonrechter oordeelt dat scholing die noodzakelijk is voor de functie kosteloos moet zijn en dat daarvan ook sprake is als het de werkgever is die de scholing noodzakelijk vindt. Omdat de opleiding feitelijk een voorwaarde van werkgever was voor de indiensttreding, kwalificeert de opleiding als noodzakelijke scholing. De vordering tot terugbetaling van de studiekosten wordt daarom toegewezen. De vordering tot betaling van het loon over de voorbereidingstijd wordt afgewezen omdat de werknemer niet heeft kunnen onderbouwen dat ze die uren daadwerkelijk heeft gemaakt.

Het begrip “noodzakelijke scholing” heeft volgens de Rechtbank Limburg een ruime strekking. Als werkgever van mening is dat werknemer een opleiding/cursus moet volgen en scholing aanbiedt, dan is sprake van “noodzakelijke scholing” die kosteloos moet worden aangeboden. Dat een werknemer zelf ook de opleiding wil volgen doet daar niet aan af.

Er is nog maar beperkt ruimte om een rechtsgeldig studiekostenbeding overeen te komen. Dit lijkt alleen nog mogelijk wanneer de scholing niet noodzakelijk is voor het uitvoeren van de huidige werkzaamheden en het initiatief volledig bij de werknemer ligt om de opleiding te volgen.

Heb je vragen over studiekostenbedingen, neem dan contact op met een van onze juristen.