Op 1 oktober 2026 is de Zelfstandigenwet in internetconsultatie gegaan. Met dit wetsvoorstel wil het kabinet meer duidelijkheid scheppen over de vraag wanneer een opdrachtgever met een zelfstandige kan werken zonder dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2028.
Op dit moment wordt het onderscheid tussen zelfstandigen en werknemers bepaald aan de hand van de rechtspraak. Belangrijke uitspraken, zoals die in de zaken Deliveroo en Uber, vormen daarbij de leidraad.
Kort gezegd komt het huidige toetsingskader erop neer dat alle omstandigheden van het geval worden meegewogen. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de manier waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd, de mate van gezag en de vraag of de werkende zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen.
Het kabinet wil met de Zelfstandigenwet een nieuw en duidelijker kader introduceren. Zo komen er twee nieuwe toetsen:
- de zelfstandigentoets
- de werkrelatietoets
Alleen wanneer aan beide toetsen wordt voldaan, is er volgens het wetsvoorstel in ieder geval geen sprake van gezag en dus geen arbeidsovereenkomst.
1. De zelfstandigentoets
De zelfstandigentoets richt zich op de zelfstandige zelf. Daarbij wordt gekeken naar de vraag of iemand zich daadwerkelijk als ondernemer gedraagt in het economisch verkeer.
Onderwerpen die hierbij een rol kunnen spelen zijn onder meer:
- inschrijving bij de Kamer van Koophandel;
- het zelfstandig versturen van facturen;
- het aantal opdrachten per jaar;
- het treffen van voorzieningen voor ondernemersrisico’s, zoals arbeidsongeschiktheid of pensioen.
Deze toets moet duidelijker maken of iemand niet alleen op papier, maar ook in de praktijk als zelfstandige ondernemer werkt.
2. De werkrelatietoets
De werkrelatietoets ziet op de concrete opdrachtrelatie tussen opdrachtgever en zelfstandige. Daarbij staat vooral de vraag centraal of sprake is van een gezagsverhouding.
Bij deze toets wordt onder meer gekeken naar:
- de bedoeling van partijen bij het sluiten van de overeenkomst;
- de vrijheid van de zelfstandige om het werk naar eigen inzicht uit te voeren;
- de vrijheid om zelf te bepalen waar en wanneer het werk wordt gedaan;
- het ondernemersrisico dat de zelfstandige loopt bij de uitvoering van de opdracht.
Hoe meer vrijheid en ondernemersrisico aanwezig zijn, hoe eerder sprake zal zijn van een zelfstandige opdrachtrelatie.
Wanneer niet aan beide toetsen wordt voldaan, betekent dat niet automatisch dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. In dat geval wordt teruggevallen op het bestaande wettelijke kader en de rechtspraak.
Er moet dan alsnog worden beoordeeld of de arbeidsrelatie, gelet op alle omstandigheden van het geval, kwalificeert als een arbeidsovereenkomst of als een overeenkomst van opdracht.
Werkgevers en opdrachtgevers die met zzp’ers werken, doen er verstandig aan om hun huidige opdrachtrelaties kritisch te (blijven) beoordelen. Daarbij is het belangrijk om niet alleen naar de overeenkomst te kijken, maar ook naar de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden.
Aandachtspunten zijn onder meer:
- heeft de zelfstandige voldoende ondernemersvrijheid?
- is er geen sprake van inhoudelijke aansturing zoals bij werknemers?
- draagt de zelfstandige daadwerkelijk ondernemersrisico?
- werkt de zelfstandige ook voor andere opdrachtgevers?
- is de contractuele afspraak in lijn met de praktijk?
Omdat het wetsvoorstel nog in consultatie is, kunnen de exacte criteria en voorwaarden nog wijzigen. Toch geeft de Zelfstandigenwet nu al richting aan de manier waarop opdrachtrelaties met zelfstandigen in de toekomst waarschijnlijk zullen worden beoordeeld.
Als de Zelfstandigenwet volgens planning op 1 januari 2028 in werking treedt, krijgen opdrachtgevers en zelfstandigen te maken met een nieuw toetsingskader. Het doel daarvan is om meer zekerheid te bieden en tegelijkertijd ruimte te laten voor echt zelfstandig ondernemerschap.